Verdiepende activiteit: Zelfredzaamheid
Uit: Zo zelfredzaam | www.zorgvoorbeter.nl/zelfredzaamheid | © Vilans | juni 2014

Zelfredzaamheid draait om de individuele cliënt, diens vragen, problemen en de mogelijke oplossingen daarbij, zodat de cliënt zo zelfstandig mogelijk kan leven. Wat kan iemand zelf regelen, waar heeft hij of zij hulp bij nodig en hoe lang is dat nodig? Hele concrete vragen die veel bepalen voor degene om wie het gaat. Zelfredzaamheid is daarbij geen doel op zich. Cliënten willen zo veel mogelijk kwaliteit van leven handhaven en hun eigen regie houden over de keuzes daarbij.
Zelfredzaamheid is geen statisch begrip maar is voortdurend in beweging, zeker bij kwetsbare doelgroepen. Zelfredzaamheid is ook direct verbonden met de eigen geschiedenis. Onafhankelijke mensen zullen het moeilijk vinden om de regie uit handen te geven als dat nodig is. Anderen zullen niet direct in een eerste contact met mogelijke hulpverleners al hun problemen vertellen. Soms blijkt pas na weken dat er andere problemen spelen die men liever wil verzwijgen. Door te investeren in een goede relatie met elkaar kan de zorgvrager vanuit vertrouwen zichzelf en ook zijn pijn en problemen beter laten zien.
Welke krachtbronnen kunnen nog aangeboord worden bij de cliënt en diens omgeving? Welke hulpbronnen zijn nodig om hen te ondersteunen en versterken?
Movisie (Brink, 2013) probeert in een kennisdossier de begrippen te ontrafelen die vaak verward worden met zelfredzaamheid of die daarvoor in de plaats gebruikt worden. Zij onderscheiden de volgende termen:
• zelfregie: het zelf bepalen staat centraal
• eigen kracht: vaak vertaald als ‘zelf kunnen’
• eigen verantwoordelijkheid: zelf moeten of mogen
Vilans ontwikkelt en biedt eveneens kennis over het vergroten van zelfmanagement. Hierbij hanteren we de definitie van het Chronic Care Model (CCM): ‘zelfmanagement is het individuele vermogen om goed om te gaan met symptomen, behandeling, lichamelijke en sociale consequenties en leefstijlveranderingen inherent aan leven met een chronische aandoening’. De afbakening tussen zelfmanagement en zelfredzaamheid is hier nog niet gemaakt (Wagner e.a. 2001).
De instrumenten meten allemaal op de volgende gebieden/thema’s:
• lichamelijke gezondheid: lichamelijk functioneren, mobiliteit, slaap- en waakritme. De hoeveelheid ‘sub-domeinen’ verschilt per instrument
• geestelijke gezondheid: psychisch/psychosociaal functioneren, leervermogen
• zelfzorg: bijvoorbeeld algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), eten en drinken, (in)continentie
• dagelijkse activiteiten: dagbesteding, maatschappelijke participatie, recreatie en spel
• sociaal netwerk: aanwezigheid en kwaliteit contacten
Enkele instrumenten nemen ook het financiële domein (monitor, matrix en radar) en/of het woondomein (monitor, meter) mee.